Genen Iberische man kwamen van de steppe

Aan het begin van de bronstijd (ca. 2200 tot 1700 v.Chr.) maakt de bevolking van het Iberisch schiereiland een ingrijpende demografische verandering door. Dat blijkt uit onderzoek van maar liefst 271 prehistorische genomen (paleo-DNA) uit tanden en botten uit Spanje en Portugal. Aan het einde van dat halve millennium stamde 40 procent af van mensen uit het gebied rond de Zwarte en Kaspische Zee (‘steppe-DNA’). Het via de mannelijke lijn overervende Y-chromosoom werd zelfs voor bijna 100 procent vervangen door een steppe-variant. Het onderzoek, door een internationale groep genetici en archeologen onder leiding van onder meer David Reich (Harvard), is donderdag gepubliceerd in Science.

Een andere opvallende uitkomst is dat de genetische samenstelling van de huidige Baskische bevolking een typische ijzertijd-samenstelling heeft (800-100 v.Chr.): met veel bijmenging van steppe-DNA, maar met weinig invloeden uit de tijd erna, van Romeins of Noord-Afrikaans (Moors) DNA. Door hun unieke, niet-Indo-Europese taal (die in geen enkele taalfamilie past) werden Basken wel eens beschouwd als laatste representanten van een ijstijdbevolking, maar dat idee is met dit onderzoek van tafel. Naast de 271 nieuwe paleogenomen zijn ook 1.107 eerder gepubliceerde Europese paleogenomen (waaronder 132 uit Iberië) en 2.862 moderne genomen geanalyseerd.

De grote genetische veranderingen in de bronstijd hangen enigszins samen met de verspreiding van de klokbekercultuur, vernoemd naar hun aardewerken bekers die veel weg hebben van een omgekeerde kerkklok.

Vaak wordt bij de verspreiding van steppe-afkomst over Europa, ook een verband gelegd met de verspreiding van de Indo-Europese taalgroep over Europa. Maar ook dat ligt in Spanje anders, zo blijkt alleen al uit het feit dat de Basken met hun niet-Indo-Europese taal wel meededen aan de grote steppe-bijmenging in de bronstijd.

In de IJzertijd ligt Spanje onder genetische invloed van Noord- en Midden-Europa (waarin dan inmiddels ook veel steppe-DNA te vinden is). In die periode lijkt er wel een verband met taal te bestaan. In gebieden waar dan (voor zover bekend) een niet-Indo-Europese taal wordt gesproken, blijft die Noord-Europese invloed dan het kleinst. Voor de IJzertijd leggen de onderzoekers ook nog een link met de verspreiding naar Spanje van de Urnenveldencultuur, een bijzondere omslag in de Europese cultuur vanaf 1300 v.Chr. (late Bronstijd). Daarbij ontstond in veel gebieden de gewoonte om de doden te verbranden in plaats van te begraven – zonder overigens dat er per se veel andere cultuurelementen mee veranderden.

De grote vraag bij dit soort onderzoek van prehistorische genen is: welke sociale en demografische processen verklaren de genetische veranderingen? Voor de bronstijd, waarin het mannelijk Y-chromosoom vrijwel compleet van signatuur veranderde, lijkt wel duidelijk dat er toen veel meer mannen met steppe-DNA naar Spanje kwamen en zich voortplantten dan vrouwen met steppe-DNA. De onderzoekers hebben in een grafheuvel in Centraal Spanje zelfs een bronstijdgraf gevonden, uit ca. 2000 v.Chr., waarin een 40- à 50-jarige man en een vrouw van tien jaar jonger samen begraven waren. De man kwam genetisch gezien van buiten Spanje, met steppe-afkomst. De vrouw had de typische ‘oude’ genetische signatuur van de Spaanse kopertijd.

De oudste aanwijzingen voor mensen met steppe-afkomst in Spanje komen uit de periode 2500-2000 v.Chr. Na circa 1800 v.Chr. zijn er alleen nog steppe-Y-chromosomen terug te vinden. In het noorden waren de veranderingen sterker dan in het zuiden. Maar was er een massale volksverhuizing? Of hadden relatief weinig steppe-mensen generaties lang groot succes in hun voortplanting (bijvoorbeeld door sociale status of rijkdom)?

Het is niet de eerste keer dat paleo-DNA-onderzoek nieuwe vragen oproept over demografische veranderingen in de bronstijd. Een jaar geleden verscheen een groot onderzoek van Brits paleo-DNA (met 400 nieuwe genomen, Nature 21 februari 2018), onder leiding van dezelfde David Reich en Iñigo Olalde die ook dit Iberische onderzoek leidden. Daaruit bleek toen dat vanaf ca. 2500 v.Chr. in heel Brittannië een continentale DNA-signatuur de genetische structuur sterk veranderde, waarbij de oudere signatuur zelf bijna helemaal leek te verdwijnen.

In Engeland wordt een sterker verband met de verspreiding van de klokbekercultuur gelegd dan in Spanje. Archeologische aanwijzingen voor gewelddadige veranderingen zijn in Engeland nog niet gevonden.

Lees hoe de Baskische taal nergens mee verward wordt: Het Nederlands lijkt best wel op Gaelic en Welsh

Ga naar NRC

Geef een reactie